Schoolsucces hangt van zelfsturing

Schoolsucces wordt niet (alleen) bepaald door intelligentie

Veelal wordt aangenomen dat de mate van schoolsucces bepaald wordt door het intelligentieniveau van een kind. Dus: hoe slimmer je bent, hoe beter je presteert. Een slim kind kan de dingen die hij ziet, leest of hoort relatief makkelijk plaatsen en kan verbanden leggen met wat hij al eerder heeft geleerd. Het lijkt daarom vanzelfsprekend: een kind dat de leerstof sneller begrijpt, is beter in staat om nieuwe dingen te leren.

Maar is dat ook zo? Nee, want in de lespraktijk gaat dit lang niet altijd op.

Zo zijn er kinderen die beneden hun niveau presteren, terwijl hun omgeving (ouders, leerkrachten) weet dat ze meer in hun mars hebben ("het zit er wel in, maar komt er niet uit"). Bijvoorbeeld omdat kinderen snel zijn afgeleid, zich makkelijk laten meeslepen door wat er in de klas gebeurt, hun spullen/materialen niet kunnen vinden enzovoort. Het tegenovergestelde beeld wordt ook gezien: kinderen die misschien iets minder slim zijn, maar desondanks goede schoolresultaten behalen. Bijvoorbeeld omdat ze ervoor zorgen dat ze hun huiswerk op tijd maken, weten wat ze moeten doen en hoe ze dat het best kunnen aanpakken.

Schoolsucces hangt vooral af van zelfsturing

Er lijkt dus méér nodig te zijn voor schoolsucces dan intelligentieniveau alleen, namelijk een effectieve werkhouding. Een kind wordt niet geboren met een doeltreffende werkhouding, maar leert langzamerhand steeds beter zijn gedrag, gedachten en emoties aan te sturen. Oftewel: zelfsturing. Dit is het resultaat van hersenfuncties die in de kindertijd volop in ontwikkeling zijn. Deze hersenfuncties worden ook wel 'executieve functies' genoemd. De laatste jaren is er steeds meer aandacht voor executieve functies, zowel binnen de wetenschap als het onderwijs. Zelfsturing is iets wat kinderen blijven ontwikkelen, ieder op zijn eigen tempo. Op basis van wetenschappelijke inzichten op het gebied van executieve functies, denken we dat kinderen zelfsturing blijven ontwikkelen totdat ze minstens 23 jaar zijn. Dit heeft uiteraard gevolgen voor de manier waarop we naar het onderwijs (zouden moeten) kijken. Want wat vragen we eigenlijk van kinderen?